dollytill

Verleden en heden


Een reactie plaatsen

Belangstelling

Er zijn mensen die graag over zichzelf praten.  Daar is niets mis mee. Maar een lang verhaal over steeds weer hetzelfde onderwerp of onbenullige gebeurtenis, gaat op  een gegeven moment de toehoorder vervelen.

Luisteren doen ze niet. Ze houden een monoloog. En  elk nieuw onderwerp wordt terstond op henzelf geprojecteerd.  “Jantje is met zijn fiets gevallen” (ik noem maar wat).  Er wordt dan niet gevraagd hoe het met Jantje is afgelopen, nee, je mag blij zijn dat je die ene zin hebt mogen afmaken want  er wordt meteen gereageerd met een verhaal over hoe erg zij ooit met hun fiets zijn gevallen. Doodvermoeiend vind ik dat.. en zo frustrerend.

Ik heb het nu over een hoogbejaarde kennis en ja, haar wereld wordt alsmaar kleiner.

Wat echter niets met leeftijd te maken heeft en me de laatste tijd veel opvalt op verjaardagen, bij vrienden en familie, op TV en de radio : iedereen práát maar door.  Niemand laat de ander uitpraten. Iedereen valt iedereen in de rede. Alles kwaakt en schreeuwt door elkaar heen.

En niemand luistert. En van die mensen is er geen een  hoogbejaard of dement.

Ik bedoel maar..

We luisteren allemaal vol belangstelling naar ons zelf.

En dan heb ik het nog niet gehad over brieven of e-mails.  Die worden niet meer gelezen. Of half gelezen.  Of  slecht geïnterpreteerd.  De meesten komen niet verder dan de eerste regel en dus  probeer ik  e-mails te  beperken tot eenregelige boodschappen.

En dan  nóg krijg je vaak antwoorden waarvan je denkt : “ Hè ? dat had ik toch helemaal niet geschreven’’ ?   Weken geleden stuur ik een korte mail met een vrij belangrijke boodschap aan een goede vriendin.

Als antwoord krijg ik een verhaal over de parkieten in de tuin van haar dochter en de  postzegelverzameling van haar moeder. Maar een reactie op mijn  berichtje? Ho maar.

Heeft ze  de inhoud van het bericht nou wel of niet gelezen vraag ik me af.  Geen idee.

Waar komt dit ineens vandaan ?

Advertenties


4 reacties

Oorlog 1940 – 1945. De Joodse onderduikers

Mijn ouders hadden een bakkerij en we hadden 4 Joodse mensen in huis,  2 echtparen, die op zolder, in een kamer achter de meelopslag waren ondergedoken. Beide echtparen hadden een dochtertje, ongeveer van mijn leeftijd:  Reny en Treesje.  Deze twee  kinderen waren op andere adressen ondergebracht.

Ik hoef geen moeite te doen bepaalde herinneringen naar boven te halen. Er zijn flarden die als stukjes film  door je hoofd schieten en nooit zijn vergeten:

  • ’s Avonds als de winkel dicht is en de gordijnen gesloten komen “ooms en tantes” naar beneden en zitten gezellig met mijn moeder rond de kachel. Ik zit bij iemand op schoot.. De tantes en mijn moeder zitten te naaien of te breien. Van oude kleding wordt nieuw gemaakt.
  • Op zulke avonden moet ik ook vaak helpen met  “wol ophouden”.  Oude truien worden uitgehaald en met de wol daarvan worden nieuwe truitjes en vestjes gebreid. Voor Reny en Treesje, de kinderen van de ooms en tantes, maar en ook voor mij.
  • De ooms en tantes wonen op zolder  maar we noemen het Den Haag.
  • Ik mag overdag naar de zolder bij de tantes en ooms spelen en ze lezen me voor. De boeken/spelletjesvoorraad is echter zeer  beperkt en ik kan de tekst van een van de boekjes woord voor woord opdreunen.
  • Mijn ouders laten me vrij om naar de zolder te gaan, maar er wordt me op het hart gedrukt dat ik nooit tegen iemand moest zeggen dat daar ooms en tantes wonen.
  • En als er iemand vraagt of er familie of kennissen  bij ons in huis wonen ? Nee, niet in huis.  Huis is beneden. Ze wonen in den Haag.  De zolder heet Den Haag voor mij.  Vrij simpel: je bent beneden (huiskamer), boven (slaapkamer)  of in Den Haag (zolder) maar geen mens die naar Den Haag vraagt.
  • Er is vaak een gevoel van spanning en onrust in huis. De grote mensen doen zenuwachtig en er wordt gepraat over bommen, Duitsers, honger en mensen die dood zijn gegaan.
  • Soms mag ik met iemand mee om Reny of Treesje te gaan opzoeken. Die wonen ergens anders en dan gaan we met de trein of met de tram.  Met wie ik daarheen ging weet ik niet.
  • De oma’s komen vaak langs, vooral oma T.    De winkel is achter de huiskamer. Als de winkelbel gaat moet mijn moeder een klant gaan helpen.  Ik blijf dan achter met de oma. Van oma T. krijg ik wel eens een Mariakaakje . Heeft ze  voor me gekocht. Of misschien geruild voor iets anders. Wie weet. Maar het is een absolute traktatie !
  • Zo zit ik een keer in de huiskamer met opa T. als het buiten ineens begint te loeien.  Luchtalarm !  Opa zegt dat we nu onder de tafel moeten gaan zitten. Als het dak dan naar beneden komt worden we beschermd door de tafel. Wel spannend, maar ook eng. Terwijl we onder de tafel wachten tot het luchtalarm is gestopt legt hij uit dat je ook op de WC redelijk veilig bent bij een bombardement.  Dat doen we de volgende keer dan maar belooft hij.
  • Mijn vader komt me  wekken en vertelt dat er een verrassing is.  Het is 30 december 1942 en ik heb een zusje gekregen. Mijn moeder ligt op bed en er staat een wieg met een baby erin.  Er is ook een mevrouw met een wit schort aan.  Ik moet zuster tegen haar zeggen. Als de zuster even naar de keuken is en ik door de slaapkamer van mijn ouders dwaal, zie ik een bruin flesje staan. Ha .. limonade. Ik zet het aan mijn mond en neem een paar slokjes maar het is vies.. paniek.. Blijkt het lysol te zijn…  Mijn moeder begint te gillen, vader komt uit de bakkerij stormen,  gooit me in de bakfiets en brengt me naar het ziekenhuis om mijn maag leeg te laten pompen.
  • Tussen de keuken en de bakkerij ligt een binnenplaatsje.  Midden op het plaatsje is een soort (af)wasplaats. Er is in ieder geval een kraan en een soort  wasbak. Natuurlijk ga ik kijken als ik daar rare geluiden vandaan hoor komen.   Er staat een man  bij de wasbak over te geven en hij zit onder het bloed.  Mijn vader geeft hem een handdoek aan. Mijn moeder zegt dat de meneer ziek is en trekt me weg.
  • Er wordt vaak gesproken over de bestelling van het weeshuis. Die moet ’s avonds worden bezorgd bij het kinderhuis aan de Kinderhuissingel in Haarlem.  Er is me al veel verteld over al die kindertjes die daar zitten en die geen papa en mama meer hebben. Ik mag dus een keer mee. Spannend..! Het is al donker als we weggaan en ik ga mee in de bakfiets. De broodbakfiets bestaat uit 2 compartimenten. In de ene zit ik en in de andere ligt het brood voor het weeshuis. Deksel dicht en ik zit opgesloten. Ik heb wel meer in de bakfiets gezeten dus dat vind ik niet eng.   Als het deksel weer opengaat zijn we op de binnenplaats van het weeshuis.  Ik loop met iemand mee die me de speelzaal gaat laten zien.  Er zitten hier heel veel kinderen en wat is het koud hier.
  • Er is een jongetje en die zit helemaal alleen op de grond.  Midden in die enorme grijze, grauwe, koude ruimte…. Ik kan mijn ogen niet van hem af houden. Hij lijkt zo zielig en ik durf niets te zeggen. Alles is daar grijs en grauw. De begeleidster staat fluisterend iets tegen mijn vader te vertellen. Ik wil naar huis. Brullend word ik afgevoerd.
  • Op de terugweg horen ik ineens iemand “HALT “ roepen.  Mannenstemmen. Mijn vader die lachend iets terugzegt.  Nog wat gepraat en geschreeuw… en dan gaat het deksel van de bakfiets ineens open en zie ik drie kerels op me neerkijken. Soldaten.. Duitsers.. ja nu ben ik bang. Ik ben nog steeds verdrietig over dat weeshuis. Mijn vader tilt me uit de bakfiets en de mannen beginnen te lachen. Ik mag er weer in. We gaan naar huis. Thuis vertelt mijn vader ons dat hij gezegd heeft dat hij vlees vervoerde. En wat een geluk dat het brood al afgeleverd was.  Toen zagen ze mij eruit komen… Vonden ze komisch.. Ik snap er geen bal van maar ik vond mijn vader een held.
  • Midden op de dag is er ineens een hoop herrie, geschreeuw en geknal op de hoek van de straat. Ik loop de winkel in om te gaan kijken want door het glas van de winkeldeur kun je precies op de hoek van de straat kijken. Er wordt geroepen dat er iemand is doodgeschoten. Ook zijn er soldaten maar die lopen al weg, Er ligt een bloedende man op de grond. Mijn opa komt de bakkerij uit rennen en trekt me bij de deur weg.
  • Mijn vader of moeder komen me altijd uit bed halen. Maar vandaag is er niemand. Dus ik klim eruit en ga naar beneden, naar de slaapkamer van mijn ouders.  Het is buiten al licht maar in huis is het stil en de gordijnen zijn nog dicht.  Als ik de slaapkamer binnenkom zie ik mijn moeder op bed liggen. Ze huilt. Ze vertelt dat de Duitse soldaten de ooms en tantes die nacht hebben meegenomen. En papa ook.   Ik huil ook en ben bang. Ineens ben ik bang voor alles. De sirenes, de dreiging, de soldaten, het luchtalarm, de bommen en de vaak overvliegende vliegtuigen.  Tot nu toe had ik het allemaal wel eng gevonden maar voelde me beschermd. Nu word ik geconfronteerd met de werkelijkheid die tot vandaag zorgvuldig voor me werd afgeschermd.
  • De ooms en tantes zijn al een paar weken weg en mijn vader ook.
  • Mijn moeder huilt vaak. Er wordt nu openlijk in mijn bijzijn gesproken over de zoektocht die zij en andere mensen ondernemen om te weten te komen waar mijn vader is heengebracht. Mijn moeder vertelt opa iets over Amersfoort waar ze kleding voor mijn vader gaat brengen. Ik ben blij dat mijn moeder mijn vader kan opzoeken en hoop dat ze hem mee naar huis brengt.  Op mijn vraag wanneer de ooms en tantes terugkomen is geen antwoord.  Niemand weet het.
  • Later wordt mijn vader overgeplaatst. Ergens ver weg. En mijn moeder kan geen kleren meer brengen.
  • Op een avond, ik lig al op bed,  word ik wakker omdat ik nodig moet plassen en ook van het geluid van harde stemmen. Ik  ga mijn bed uit en loop de trap af naar beneden. Halverwege stop ik want onderaan de trap  staan soldaten met mijn moeder en opa te praten. Ze praten erg hard.  Een van hen krijgt mij in de gaten en zegt iets tegen mijn moeder. Ze kijken nu allemaal naar boven en ik weet niet of ik nou zal doorlopen, teruggaan  of stil blijven staan. Ik loop toch maar verder. Een paar treetjes lager. Ineens richt een van hen een pistool op me. Hij schreeuwt iets. En het volgende moment herinner ik me de veilige armen van opa. Hij houdt me vast en schreeuwt terug. Vuile schoft.. durf je wel tegen een klein kind !  Ze druipen af.  Niet alleen mijn vader is een held. Ook mijn opa !
  • Ik ga naar de Theresia (kleuter) school op de Kleine Houtweg in Haarlem. Naarmate ik langer op school zit zijn er steeds minder kinderen. Sommige klasgenootjes  komen ineens niet meer  en ik hoor van kinderen die bij hen in de buurt wonen dat Jantje of Marietje van school af is  want hij/zij heeft geen warme kleding, geen schoenen of is ziek.  De  kachel  op school is uit en het is erg koud. Er zijn geen kolen.
  • Soms gaat er een kind dood. Zelfs dat wordt gewoon. Dan komt de begrafenisstoet langs de school. Zo’n kar met het kistje  erop en daarover een zwart laken. De kar wordt getrokken door een paard met zo’n  zwart ding over zijn rug. Alle klasgenootjes van het overleden kind moeten naar buiten en we worden langs de stoeprand opgesteld. Hou de lantaarnpaal in de gaten zegt de non die onze klas leidt. Jullie moeten precies in lijn blijven met de lantaarnpaal. Geen uitsteeksels, handen of voeten. We zijn allemaal zo mager dat dát niet zo’n grote opgave is en met handen en voeten zwaaien bij een begrafenisstoet doe je sowieso niet.
  • Kinderen uit andere klassen  zijn ook dood.  Niet bij iedereen moeten we langs de stoeprand achter de lantaarnpaal. Alleen als het een klasgenoot betreft en soms komt er  helemaal  geen begrafenisstoet langs. Die ouders hebben geen geld voor die kar met dat paard. Andere kinderen zijn gewoon  “weg”. Joodse kinderen misschien. Ik weet het niet.
  • Op een dag huilt mijn moeder weer. Maar ze lacht ook. Opa huilt ook. Ik snap er niets van. De dokter is net geweest en die heeft iets leuks verteld. Dan zegt mijn moeder dat papa gauw weer thuiskomt. Hij is gevlucht uit het kamp waar hij was. Maar ik mag het tegen niemand zeggen.
  • Mijn vader is terug en ziet er aller-vreemdst uit. Hij is heel dun en draagt een bril en een hoedje. Maar hij is het wel. We lachen en huilen en ik mag nog steeds niemand vertellen dat hij thuis is.
  • Er breekt nu een periode aan dat mijn vader thuis is maar hij moet erg oppassen en ik ben bang. Iedere keer als hij de straat opgaat met die bril en dat hoedje ben ik bang dat de Duitsers hem toch zullen herkennen en hem weer meenemen.
  • Er wordt veel gepraat over vrede en bevrijding en dat de  Duitsers de oorlog misschien toch niet gaan winnen.
  • Het is 5 mei 1945 en ik ben net 5 jaar geworden.  We horen buiten mensen schreeuwen en juichen.  Opa loopt de huiskamer binnen en roept:   “We zijn bevrijd ! Er is vrede!! ”. Hij huilt. Iedereen huilt. Op straat wordt ook gehuild, gelachen, geschreeuwd en met vlaggen gezwaaid. Mensen omhelzen elkaar en roepen “Vrede… vrede.. ze zijn verjaagd”!
  • De oorlog is voorbij.  De enige vraag die bij ons blijft hangen: zijn de ooms en tantes ook in veiligheid ? En Reny en Treesje ? Waar zouden ze zijn ?  We hopen ze binnenkort weer terug te zien.

De gruwelijke waarheid kenden we toen nog niet.


Een reactie plaatsen

De Joodse kinderen

TREESJE EN RENY

Jaren later vertelt mijn vader me dat hij, na de arrestatie, samen met  onze onderduikers naar IJmuiden werd gebracht, waar een soort gevangenis of opvangplaats was. Daar werden ze met z’n allen opgesloten in afwachting van verder transport.  De vreselijkste taferelen speelden zich daar af.

De meest hartverscheurende ervaring die hij daar meemaakte was,  dat op een gegeven moment de kinderen van onze gasten, Treesje van 7 jaar en Reny van 3, werden binnengebracht.  Natuurlijk waren ze blij elkaar weer te zien, maar het enige sprankje hoop dat ze nog hadden: dat hun kinderen nog in veiligheid waren, vervloog hiermee.

Mijn vader heeft het hier vaak over gehad. Het weerzien van deze mensen, hun vertwijfeling, hun verdriet, hun angst..   Het is met geen pen te beschrijven…  Vrouwen en kinderen werden van de mannen gescheiden en in aparte cellen geplaatst.  De volgende dag werd hij, met nog een grote groep andere mensen, op transport gezet naar de gevangenis in Amsterdam. Hij heeft ze nooit meer gezien…

Ook hoorden we veel later hoe het gegaan was met hun kinderen:

Treesje,  het 7-jarige meisje dat ondergedoken zat in Amsterdam, werd samen met haar pleegvader de heer Rozijn meegenomen en ook naar IJmuiden gestuurd waar ze haar ouders weer zag.

De kleine Reny van 3 jaar was ondergedoken bij  de familie X in Beilen (Drenthe). Deze mensen hadden  zelf ook een baby, een jongetje en hadden Reny als eigen dochter in laten schrijven.

Op een dag kwam er een politieagent (een goede) aan de deur met de waarschuwing dat ze hun Joodse kind maar beter naar een ander onderduikadres konden brengen. De heer X vond dit onzin, beweerde dat het zijn eigen dochter was en daarmee was de kous af. Maar de volgende dag stond de politieagent weer op de stoep.

“Ik zou maar maken dat het kind weggaat, er gaan geruchten op het bureau dat ze Joodse is, wat goed aan haar te zien is”.  X besloot zelf naar het politiebureau te stappen, met een legitimatie, waaruit moest blijken dat het kind als zijn dochter was ingeschreven, maar het enige wat ze tegen hem zeiden was: “zorg dat ze morgen om 8 uur klaar staat, dan komen we haar halen”.

En wat deed van de heer X:  hij haalde vrouw en eigen baby thuis af en liet het driejarige meisje alleen in huis achter.  De volgende ochtend is ze opgepakt en om het nog schrijnender te maken, kreeg de kleuter een bordje om haar nek met de woorden “naar IJmuiden” .  En zo werd ze moederziel alleen op de trein gezet.

De familie X verklaarde later, na de oorlog, dat ze bang waren geworden.

Voor de rest van de oorlog hebben ze ondergedoken gezeten bij hun ouders.

De Joodse families, zowel de ouders als de kinderen Treesje en Reny, zijn nooit teruggekomen.