dollytill

Verleden en heden


Een reactie plaatsen

kerst blues

Sinterklaas is alweer vergeten. Nu de Kerst nog.
Ik kan maar geen verklaring vinden voor het feit dat ik deze feesten zo hartgrondig haat, maar dat doe ik dus. En niemand begrijpt het natuurlijk.

“Maar het is zo gezellig” roept 80 procent van de mensen die je spreekt, waarna je een uitgebreid verhaal krijgt over wat er gegeten gaat worden en hoe ze dat allemaal gaan aanpakken. “Ja, je moet wel hè” neuzelt de overige 20%. Van wie moet dat dan? vraag ik me af.
De tijdschriften roepen ons  vanaf de omslag toe dat het Grote Feestelijke Genieten is begonnen. De recepten met exotische en incourante vleessoorten vliegen je om de oren evenals must-do visgerechten, uitheems pluimvee, hertenbouten, wild zwijn op een bedje van pruimen of zoiets en dan natuurlijk ook  prachtige dessert-ideeën.

De T.V. haalt oude kerstfilms uit de kast en in de winkels kwelen kinderkoortjes dat Christus is geboren.
De jaar-in jaar-uit grijsgedraaide liedjes met lange bibberende uithalen klinken alsof ze met een draadje uit de kinderstrotjes worden getrokken.

Er moeten nog mensen zijn die mijn antipathie delen, maar die maken helaas geen deel uit van mijn kennissenkring, familie of buurtgenoten.
Dus met een mening als de mijne ben je in zo’n omgeving niet alleen een roepende in de woestijn maar ook nog een malloot.

Hele volksstammen liggen met elkaar in de clinch deze dagen. Alleen al over de vraag wie wat bij wie en waar viert.
Maar kerst moet gevierd worden. Hoe dan ook!
Het feit dat je massaal moet eten, drinken en vrolijk zijn omdat het zo gezellig is én omdat iedereen het doet, geeft mij meer de indruk dat we een kudde schapen zijn, geleefd en geleid door onze omgeving maar ook, en misschien wel in het bijzonder, door de commercie. We denken dat we aan een soort verplichting moeten voldoen.
Kerstkaarten sturen. Kerstkaarten ontvangen.
De mailbox van de computer braakt iedere dag lieve kerstgroeten en e-cards uit  en ik en stel het erg op prijs dat ik niet vergeten word, maar wat me tegen staat is het verplichte karakter van dit alles.
De enigen die hier echt blij van worden zijn de supermarkten, de postorderbedrijven, de post, de kaartenverkopers, de parfumerieën, de warenhuizen enz. enz. enz.
De rest van de mensen, die aanvankelijk vertelden “zo’n zin” te hebben in die knusse feestdagen, spreek je na 1 januari: de onvermijdelijke kater, kilo’s zwaarder en honderden euro’s lichter en met een beetje pech ook nog een burn out. Een echte. Gevolg van dagenlang kokkerellen.

En laten dat nu de eersten zijn die je komen vertellen dat ze blij zijn dat alles achter de rug is!

Vrede op Aarde en de beste wensen.
Of is het Vreten op Aarde ?

Eerst nog even Oud en Nieuw vieren en dan gaan we met z’n allen op dieet. dieet2

 


Een reactie plaatsen

BUS SEVENTY-THREE

Het is rond half elf in de avond, het waait hard en het regent. De lantaarnpalen op het verlaten parkeerterrein bewegen een beetje door de harde wind en het licht schijnt troebel door de regendruppels heen. Kortom een avond om snel naar huis te rennen. Ik ben net uit de trein gestapt.2014-10-24 21.47.24 In de omgeving van dit stationnetje is helemaal niets. Nada. Als je hier niet bekend bent kom je, zeker in het donker, nergens terecht. Er loopt een tweebaansweg langs het station maar als je die al zou willen oversteken eindig je in het struikgewas of in een greppel dus je moet via het fietspad een willekeurige richting uitlopen om uiteindelijk ergens te kunnen oversteken naar een woonwijk. Aanwijzingen voor de willekeurige bezoeker/toerist zijn er niet. Mijn auto staat eenzaam op het parkeerterrein en pas nadat ik gestart heb bedenk ik dat ik ben vergeten uit te checken. Motor uit. Terug naar de stempelautomaat.

Bus 73

Ineens zie ik iemand uit het donker opdoemen. Een man. Een grote tas in de ene hand en met de andere houdt hij een plastic zakje tegen zijn borst geklemd. Het is even schrikken.. dat wel. Hij stamelt iets maar ik versta er geen woord van. Dan komt het eruit: “bus seventy three ?” Hè? Bus 73? Er kómt hier helemaal geen bus. Maar er is wél een bushalte. Met een groot bord waarop aankomst- en vertrektijden staan vermeld.

De gemeente, of  de vervoersmaatschappij, heeft deze mensvriendelijke beslissing ooit genomen in een vlaag van verstandsverbijstering, veroorzaakt door blind enthousiasme over het feit dat er een nieuw “station” gebouwd werd, notabene op 2 km afstand van het vorige. Maar dat was “verouderd” en nu staat er een constructie die iets weg heeft van een kegelbaan, maar dan zonder de buitenmuren. Kortom een tochtige goot die weinig bescherming biedt tegen wind en regen.

En daar sta je dan: in the middle of nowhere bij Emmens trots: “Het Nieuwe Station Van Zuid”, op een lege parkeerplaats, in het donker en met een wildvreemde man. Zijn wanhoop, vermoeidheid en argwaan zijn bijna tastbaar. Ik kan zijn gezicht amper zien.

Op de vraag of hij Engels spreekt krijg ik alleen maar “ bus seventy-three” als antwoord. Ik doe nog een paar pogingen maar hij spreekt geen enkele, voor mij herkenbare taal. Uiteindelijk komt er een antwoord: “no English. Arabic.” Nee, Arabisch versta ik niet. Dit wordt moeilijk. 2014-10-24 21.50.59 (2) Samen lopen we naar die ene bushalte. Vaag herinner ik me nu ooit in een jubelend propaganda-artikel te hebben gelezen dat dit nieuwe station over een zogenaamde belbus-halte beschikt. Dus in plaats van een treintaxi krijg je nu een hele bus. Dan is dit die belbus-halte zeker?  Er staat nergens een telefoonnummer.

Volgende poging: “do you have an address? Where are you going?” Nu komt er een verfrommeld papiertje uit de plastic zak én een uitgeprinte reisplanner van de N.S. Hij moet in Emmen Zuid uitstappen en dan de reis vervolgen met bus 73. Hij strijkt het verfrommelde papiertje glad en laat me de tekst zien. Daar moet hij heen. De tekst is in Arabische letters. Dat schiet niet op. Hij leest voor wat er op staat :  Musselkanaal. Aha! Dit is Emmen Zuid. Musselkanaal ligt zo’n 30 km verderop in Groningen. Hij staat bij het verkeerde station.

Ik laat hem in de auto stappen. Hij zit naast me met zijn hele hebben en houden op schoot, het plastic zakje tegen zijn borst geklemd. De wanhoop hangt als een donkere wolk om hem heen. En misschien ook angst? Ik rij met hem naar het station in het Centrum en ja hoor, daar hebben we een busstation waar ook bus 73 een vertrekplaats heeft.

Hij haalt hoorbaar opgelucht adem als ik aanwijs waar hij moet zijn, stapt uit, maakt minstens tien buigingen en ik zie hem naar de aangewezen plek lopen.

Onderweg naar huis zit ik me op te winden. Ik stel me voor hoe het moet zijn als je in een vreemd land, waar je niemand verstaat en niets begrijpt in een trein wordt gezet zonder te weten waar je heen gaat. Ik weet niet waar hij op de trein is gestapt of gezet, maar aangezien hij een treinkaartje en een uitgeprinte reisplanner had, moet hij door een Nederlandse organisatie zijn geholpen. Dus waarom geef je zo’n man niet een duidelijk, in het Nederlands geschreven briefje mee waarmee hij uit de voeten kan. Waarin staat hoe hij heet, waar hij naartoe moet en dat hij de taal niet spreekt. Zeker in deze tijd. Een buitenlander wordt al gauw voor terrorist aangezien.

En hoe lang heeft hij hier al op de bus staan wachten? Heeft hij andere mensen proberen te benaderen? Zijn die gillend weggevlucht? Emmen is geen metropool. Maar er zijn wel twee stations en dat staat vrij duidelijk aangegeven op de N.S. website.

De betreffende hulporganisatie zou misschien even verder moeten kijken op welk station zo iemand moet uitstappen om de gewenste bus te kunnen pakken, zeker als de persoon naar het een of andere godvergeten gat wordt gestuurd. Thuis heb ik het voor de zekerheid nog even nagekeken. Er is een Asielzoekers Centrum in Musselkanaal en bus 73 stopt daar.

Gelukkig..


Een reactie plaatsen

BILNAAD

Etentje.

Etentje bij vrienden. Altijd leuk.

Mijn vrienden hebben bedacht dat dit een mooie gelegenheid kan zijn om een kennis, weduwnaar, uit te nodigen en die aan een van onze vriendinnen te “koppelen”. De vriendin weet nog van niets. Misschien klikt het.

Volgens mijn vrienden is de man in kwestie een wat eenzame, aandacht-behoevende, zorg-zoekende oudere man en verder weten ze ook niet veel van hem.

De mystery guest is echter nog niet gearriveerd en we moeten wachten. Geeft niet. We hebben een aperitiefje waar we het mee kunnen uithouden.

Twee aperitiefjes later komt hij eindelijk aanzetten.  Een keurige meneer, ruim 65 plus en niet onaantrekkelijk.  “Sorry, sorry,  ik moest nog even naar de apotheek, lang moeten wachten, toen naar huis om te verkleden en daarna file op weg hiernaartoe.”

Ja, dat kan gebeuren.

Terwijl hij zich voorstelt en iedereen begroet houdt hij zo’n mannentasje onder z’n linkerarm geklemd, die hij, tot we aan tafel gaan onder z’n arm houdt.

De gastvrouw biedt aan de tas even weg te zetten maar de meneer weigert. Hij is diabeet en hij moet zo even prikken.

De gedekte tafel ziet er sfeervol uit. Bloemen, kaarsjes, mooi glaswerk, the works. Prachtig !

De meneer  zet zijn tasje naast het bord en schuift het zorgvuldig gearrangeerde bestek en glazen een eind opzij.

Na het voorgerecht gaat het tasje open en er komt een schriftje tevoorschijn. Dan volgt er een pen en wat attributen die er medisch uitzien. Terwijl hij opsomt waar hij, behalve de suikerziekte, zoal aan lijdt gaat het overhemd omhoog en prikt zichzelf in de harige buik. Dan nog een prikje in de vinger en de resultaten worden omstandig genoteerd in het schriftje.

Tot nu toe hebben wij, zijn tafelgenoten, het beleefd gehouden.  De man wappert met kwalen en ongemakken alsof het trofeeën zijn. We hebben met belangstelling geluisterd naar de inhoud van zijn medisch dossier, zijn verhalen over alle kwaaltjes, de opsomming van alle artsen, therapeuten, tandartsen en specialisten aangehoord en hebben bijpassende en sympathieke opmerkingen en geluidjes gemaakt. Dat wil zeggen: voor zover we de kans kregen.

Maar nu begint de irritatie toe te slaan. Onder het eten notabene. Kon dat prikken niet even op de gang gebeuren?  En gaan we het de hele avond hebben over medicijnen en ziektes?

Het hoofdgerecht is inmiddels opgediend. De gastvrouw heeft zichzelf overtroffen, alles ziet er geweldig uit en smaakt nog beter. De meneer doet een poging zijn klachtenverhaal voort te zetten maar nu zijn we in het stadium beland waarin getracht wordt hem te negeren en het over andere onderwerpen te hebben.

Ook begint een en ander op de lachspieren te werken. Is het de wijn of de situatie?  Waarschijnlijk beide.

We zijn toe aan het nagerecht en terwijl er een feestelijke creatie wordt opgediend en uitgedeeld grijpt hij zijn kans weer: “Weet je, ik heb nog iets: een fistel. Lastig hoor. In mijn bilspleet. Heel vervelend.”

“Wil je er slagroom op?” vraagt de gastvrouw in een poging hem af te leiden.

“Vreselijk gewoon, ik moet mezelf elke avond goed wassen want anders blijft er wat poep tussen zitten.”

“wil je er aardbeien bij en ook chocoladesaus?” vraagt de gastvrouw.

“Poep tussen mijn billen bedoel ik,” zegt de meneer. “Ja lekker, aardbeien graag.

“En morgen moet ik naar de specialist voor mijn apneu. Ik heb heel veel ademstilstanden per nacht. In feite lig ik de halve nacht dood in bed.”

Zucht..

Nu kunnen we ons lachen echt niet meer houden.

Lullig voor de meneer.

Jammer ook dat onze poging om onze vriendin  te koppelen  is mislukt.

Ze ziet hem niet zitten.

Nee. Trouwens wie wel ?


1 reactie

Dikke Mercedes

Image

We moeten nog wachten tot na 5 december om de zwartepieten hysterie te laten wegebben en dan moet er een ander onderwerp worden gevonden waar we diep-analyserende, pseudowetenschappelijke prietpraat over kunnen verkondigen.

Ook de media zullen niet achterblijven. Pauw en Witteman gaan weer keuvelen met deskundigen en De Wereld draait Door zal ook wel een blik wetenschappers willen openen. Tenslotte moeten we ergens over kunnen zeuren. In ons binnenland gebeuren genoeg ernstige zaken die onze volle aandacht behoeven. Wat er verder in de wereld speelt is niet belangrijk genoeg om je over op te winden.

Volgens sommige mensen.

Het volgende prangende onderwerp in onze eigen soapserie heet ” Nederland op z’n smalst” en het gaat over de verkopers van de Daklozenkrant.

Vanaf ongeveer half november zie je ze  weer: mensen die bij supermarkten en in winkelcentra staan en de Daklozenkrant proberen te verkopen. Ik weet niet hoe het er in andere steden aan toe gaat maar hier, en ik zeg niet waar, worden ze genegeerd. Staat er zo’n man of vrouw te kleumen, gewikkeld in sjaals en doeken en in een veel te dun winterjack en we lopen ze fluitend voorbij met onze volgeladen kar.  Ze zijn onzichtbaar. We zijn plotseling blind. En doof.  Er staat er hier een  die altijd vrolijk goedemorgen/middag roept, een hardnekkige optimist, en die wordt niet gehoord. Stel je voor.. zo eng. En dan zo’n buitenlander. Altijd handig als je ze niet verstaat.

Kortgeleden was ik even in het centrum van de stad. Bij V&D op de hoek staat zo’n vrouw van zeker 60 plus met haar pakje kranten. Ze ziet blauw van de kou. Wiebelend van het ene been op het andere, haar voeten steken in sandalen. Haar  voeten en enkels zijn opgezwollen en blauw wat duidelijk te zien is door haar pluizige pantykousjes. De wind is gemeen koud en het miezert ook nog. Wie weet hoe lang ze daar al staat. Geen hond die haar opmerkt. Of wil zien..

Ik hoef geen krant maar een Euro kan er altijd wel af. De gebreide handschoenen die ze draagt zijn transparant van ouderdom en slijtage.  Zo krijg je nooit warme handen natuurlijk.

Een paar uur later kom ik weer langs.  Staat ze er nóg !  Op dezelfde hoek. Vlak tegenover haar plek is een M&S winkel waar rekken buiten staan met truien en vesten. Twee vrouwen staan er in te graaien. Ik hoor de een tegen de ander zeggen: “pas op je tas hoor, kijk eens achter je.”  Ze knikt richting Daklozenkrant-dame.

Ik kan mijn mond niet houden natuurlijk en vraag of ze vaak bestolen zijn door Daklozenkrantverkopers? “Nou,” zegt de jongste, “zal ik  es wat vertellen: straks komt  er een dikke Mercedes en die haalt al die lui op. Het is een Maffia. Heb ik met eigen oren gehoord hoor. Echt !”

Aha.. weer wat geleerd. Voortaan toch eens op alle dikke Mercedessen letten. Die zitten vast vol met geld-tellende daklozen.

Voorlopig geef ik de vrouw demonstratief nog maar wat geld.

Hopelijk om een paar warme handschoenen te kunnen kopen.

Het commentaar van de dames op de achtergrond kan ik  niet verstaan.


4 reacties

Kerstkoor

SONY DSC

Er werd gevraagd of ik mee wilde naar een uitvoering van een Koor.  “A Festival of nine lessons and Carols”.

Ach waarom niet. In Nederland ben ik in geen jaren naar een kerk geweest, laat staan om naar kerstliederen te luisteren. Het het leek me wel wat.

Aanvang om 20.00 uur. We moesten er op tijd heen zei mijn vriendin want vorig jaar moest er lang in de rij gewacht worden. Oké. Om kwart voor zeven  de deur uit.  We waren de eersten. Veel  te vroeg. Kleumend voor de gesloten kerkdeur zagen we de rij langer worden en eindelijk ging de poort open. Hoera. Binnen was het warm.

Wachtend op de dingen die komen gingen haalde ik mijn mobieltje uit mijn tas.  “Hier mag je geen telefoon gebruiken” siste de dame naast me. Ja dat wist ik ook wel.  “Ik zet alleen maar het geluid uit” siste ik terug.
We sisten glimlachend dus we bleven in de kerstsfeer.

Het was een gemengd koor en ze zagen er prachtig uit. De liederen werden afgewisseld met een stukje uit de Bijbel. Zowel de choreografie als de organisatie waren indrukwekkend.
Wat konden die mensen zingen, wat een enthousiasme, wat een discipline en wat een geluid. Na ieder muziekstuk had ik de neiging te gaan staan en uitzinnig te applaudisseren maar dat mag kennelijk niet. Ik begon me te ergeren aan al die strakke gezichten, die grauwheid, dat koude en dat stille.

Na het laatste lied, de finale, die explosief was, dacht ik eindelijk te mogen applaudisseren. Lang en hard.

Het was prachtig geweest. Deze mensen moeten maanden geoefend hebben op dit concert.  Maar het bleef stil. De koorleden verdwenen, de orgelmuziek sloot zachtjes af en toen klonk er eindelijk een beleefd applausje maar de zangers waren al weg. De toehoorders schuifelden wat heen en weer op hun stoel, zochten jas en tas bij elkaar en liepen de deur uit.

Niet te geloven.

We stonden weer op straat.

Koud.

Met  het gevoel van een feest te zijn weggelopen zonder de gastheer/vrouw te bedanken.
Ik ben niet op de hoogte van de etiquette bij of na het beluisteren/deelnemen aan een concert met kerstzang. Maar ik vond dit wel een bijzonder koude bedoening.


Een reactie plaatsen

Belangstelling

Er zijn mensen die graag over zichzelf praten.  Daar is niets mis mee. Maar een lang verhaal over steeds weer hetzelfde onderwerp of onbenullige gebeurtenis, gaat op  een gegeven moment de toehoorder vervelen.

Luisteren doen ze niet. Ze houden een monoloog. En  elk nieuw onderwerp wordt terstond op henzelf geprojecteerd.  “Jantje is met zijn fiets gevallen” (ik noem maar wat).  Er wordt dan niet gevraagd hoe het met Jantje is afgelopen, nee, je mag blij zijn dat je die ene zin hebt mogen afmaken want  er wordt meteen gereageerd met een verhaal over hoe erg zij ooit met hun fiets zijn gevallen. Doodvermoeiend vind ik dat.. en zo frustrerend.

Ik heb het nu over een hoogbejaarde kennis en ja, haar wereld wordt alsmaar kleiner.

Wat echter niets met leeftijd te maken heeft en me de laatste tijd veel opvalt op verjaardagen, bij vrienden en familie, op TV en de radio : iedereen práát maar door.  Niemand laat de ander uitpraten. Iedereen valt iedereen in de rede. Alles kwaakt en schreeuwt door elkaar heen.

En niemand luistert. En van die mensen is er geen een  hoogbejaard of dement.

Ik bedoel maar..

We luisteren allemaal vol belangstelling naar ons zelf.

En dan heb ik het nog niet gehad over brieven of e-mails.  Die worden niet meer gelezen. Of half gelezen.  Of  slecht geïnterpreteerd.  De meesten komen niet verder dan de eerste regel en dus  probeer ik  e-mails te  beperken tot eenregelige boodschappen.

En dan  nóg krijg je vaak antwoorden waarvan je denkt : “ Hè ? dat had ik toch helemaal niet geschreven’’ ?   Weken geleden stuur ik een korte mail met een vrij belangrijke boodschap aan een goede vriendin.

Als antwoord krijg ik een verhaal over de parkieten in de tuin van haar dochter en de  postzegelverzameling van haar moeder. Maar een reactie op mijn  berichtje? Ho maar.

Heeft ze  de inhoud van het bericht nou wel of niet gelezen vraag ik me af.  Geen idee.

Waar komt dit ineens vandaan ?


4 reacties

Oorlog 1940 – 1945. De Joodse onderduikers

Mijn ouders hadden een bakkerij en we hadden 4 Joodse mensen in huis,  2 echtparen, die op zolder, in een kamer achter de meelopslag waren ondergedoken. Beide echtparen hadden een dochtertje, ongeveer van mijn leeftijd:  Reny en Treesje.  Deze twee  kinderen waren op andere adressen ondergebracht.

Ik hoef geen moeite te doen bepaalde herinneringen naar boven te halen. Er zijn flarden die als stukjes film  door je hoofd schieten en nooit zijn vergeten:

  • ’s Avonds als de winkel dicht is en de gordijnen gesloten komen “ooms en tantes” naar beneden en zitten gezellig met mijn moeder rond de kachel. Ik zit bij iemand op schoot.. De tantes en mijn moeder zitten te naaien of te breien. Van oude kleding wordt nieuw gemaakt.
  • Op zulke avonden moet ik ook vaak helpen met  “wol ophouden”.  Oude truien worden uitgehaald en met de wol daarvan worden nieuwe truitjes en vestjes gebreid. Voor Reny en Treesje, de kinderen van de ooms en tantes, maar en ook voor mij.
  • De ooms en tantes wonen op zolder  maar we noemen het Den Haag.
  • Ik mag overdag naar de zolder bij de tantes en ooms spelen en ze lezen me voor. De boeken/spelletjesvoorraad is echter zeer  beperkt en ik kan de tekst van een van de boekjes woord voor woord opdreunen.
  • Mijn ouders laten me vrij om naar de zolder te gaan, maar er wordt me op het hart gedrukt dat ik nooit tegen iemand moest zeggen dat daar ooms en tantes wonen.
  • En als er iemand vraagt of er familie of kennissen  bij ons in huis wonen ? Nee, niet in huis.  Huis is beneden. Ze wonen in den Haag.  De zolder heet Den Haag voor mij.  Vrij simpel: je bent beneden (huiskamer), boven (slaapkamer)  of in Den Haag (zolder) maar geen mens die naar Den Haag vraagt.
  • Er is vaak een gevoel van spanning en onrust in huis. De grote mensen doen zenuwachtig en er wordt gepraat over bommen, Duitsers, honger en mensen die dood zijn gegaan.
  • Soms mag ik met iemand mee om Reny of Treesje te gaan opzoeken. Die wonen ergens anders en dan gaan we met de trein of met de tram.  Met wie ik daarheen ging weet ik niet.
  • De oma’s komen vaak langs, vooral oma T.    De winkel is achter de huiskamer. Als de winkelbel gaat moet mijn moeder een klant gaan helpen.  Ik blijf dan achter met de oma. Van oma T. krijg ik wel eens een Mariakaakje . Heeft ze  voor me gekocht. Of misschien geruild voor iets anders. Wie weet. Maar het is een absolute traktatie !
  • Zo zit ik een keer in de huiskamer met opa T. als het buiten ineens begint te loeien.  Luchtalarm !  Opa zegt dat we nu onder de tafel moeten gaan zitten. Als het dak dan naar beneden komt worden we beschermd door de tafel. Wel spannend, maar ook eng. Terwijl we onder de tafel wachten tot het luchtalarm is gestopt legt hij uit dat je ook op de WC redelijk veilig bent bij een bombardement.  Dat doen we de volgende keer dan maar belooft hij.
  • Mijn vader komt me  wekken en vertelt dat er een verrassing is.  Het is 30 december 1942 en ik heb een zusje gekregen. Mijn moeder ligt op bed en er staat een wieg met een baby erin.  Er is ook een mevrouw met een wit schort aan.  Ik moet zuster tegen haar zeggen. Als de zuster even naar de keuken is en ik door de slaapkamer van mijn ouders dwaal, zie ik een bruin flesje staan. Ha .. limonade. Ik zet het aan mijn mond en neem een paar slokjes maar het is vies.. paniek.. Blijkt het lysol te zijn…  Mijn moeder begint te gillen, vader komt uit de bakkerij stormen,  gooit me in de bakfiets en brengt me naar het ziekenhuis om mijn maag leeg te laten pompen.
  • Tussen de keuken en de bakkerij ligt een binnenplaatsje.  Midden op het plaatsje is een soort (af)wasplaats. Er is in ieder geval een kraan en een soort  wasbak. Natuurlijk ga ik kijken als ik daar rare geluiden vandaan hoor komen.   Er staat een man  bij de wasbak over te geven en hij zit onder het bloed.  Mijn vader geeft hem een handdoek aan. Mijn moeder zegt dat de meneer ziek is en trekt me weg.
  • Er wordt vaak gesproken over de bestelling van het weeshuis. Die moet ’s avonds worden bezorgd bij het kinderhuis aan de Kinderhuissingel in Haarlem.  Er is me al veel verteld over al die kindertjes die daar zitten en die geen papa en mama meer hebben. Ik mag dus een keer mee. Spannend..! Het is al donker als we weggaan en ik ga mee in de bakfiets. De broodbakfiets bestaat uit 2 compartimenten. In de ene zit ik en in de andere ligt het brood voor het weeshuis. Deksel dicht en ik zit opgesloten. Ik heb wel meer in de bakfiets gezeten dus dat vind ik niet eng.   Als het deksel weer opengaat zijn we op de binnenplaats van het weeshuis.  Ik loop met iemand mee die me de speelzaal gaat laten zien.  Er zitten hier heel veel kinderen en wat is het koud hier.
  • Er is een jongetje en die zit helemaal alleen op de grond.  Midden in die enorme grijze, grauwe, koude ruimte…. Ik kan mijn ogen niet van hem af houden. Hij lijkt zo zielig en ik durf niets te zeggen. Alles is daar grijs en grauw. De begeleidster staat fluisterend iets tegen mijn vader te vertellen. Ik wil naar huis. Brullend word ik afgevoerd.
  • Op de terugweg horen ik ineens iemand “HALT “ roepen.  Mannenstemmen. Mijn vader die lachend iets terugzegt.  Nog wat gepraat en geschreeuw… en dan gaat het deksel van de bakfiets ineens open en zie ik drie kerels op me neerkijken. Soldaten.. Duitsers.. ja nu ben ik bang. Ik ben nog steeds verdrietig over dat weeshuis. Mijn vader tilt me uit de bakfiets en de mannen beginnen te lachen. Ik mag er weer in. We gaan naar huis. Thuis vertelt mijn vader ons dat hij gezegd heeft dat hij vlees vervoerde. En wat een geluk dat het brood al afgeleverd was.  Toen zagen ze mij eruit komen… Vonden ze komisch.. Ik snap er geen bal van maar ik vond mijn vader een held.
  • Midden op de dag is er ineens een hoop herrie, geschreeuw en geknal op de hoek van de straat. Ik loop de winkel in om te gaan kijken want door het glas van de winkeldeur kun je precies op de hoek van de straat kijken. Er wordt geroepen dat er iemand is doodgeschoten. Ook zijn er soldaten maar die lopen al weg, Er ligt een bloedende man op de grond. Mijn opa komt de bakkerij uit rennen en trekt me bij de deur weg.
  • Mijn vader of moeder komen me altijd uit bed halen. Maar vandaag is er niemand. Dus ik klim eruit en ga naar beneden, naar de slaapkamer van mijn ouders.  Het is buiten al licht maar in huis is het stil en de gordijnen zijn nog dicht.  Als ik de slaapkamer binnenkom zie ik mijn moeder op bed liggen. Ze huilt. Ze vertelt dat de Duitse soldaten de ooms en tantes die nacht hebben meegenomen. En papa ook.   Ik huil ook en ben bang. Ineens ben ik bang voor alles. De sirenes, de dreiging, de soldaten, het luchtalarm, de bommen en de vaak overvliegende vliegtuigen.  Tot nu toe had ik het allemaal wel eng gevonden maar voelde me beschermd. Nu word ik geconfronteerd met de werkelijkheid die tot vandaag zorgvuldig voor me werd afgeschermd.
  • De ooms en tantes zijn al een paar weken weg en mijn vader ook.
  • Mijn moeder huilt vaak. Er wordt nu openlijk in mijn bijzijn gesproken over de zoektocht die zij en andere mensen ondernemen om te weten te komen waar mijn vader is heengebracht. Mijn moeder vertelt opa iets over Amersfoort waar ze kleding voor mijn vader gaat brengen. Ik ben blij dat mijn moeder mijn vader kan opzoeken en hoop dat ze hem mee naar huis brengt.  Op mijn vraag wanneer de ooms en tantes terugkomen is geen antwoord.  Niemand weet het.
  • Later wordt mijn vader overgeplaatst. Ergens ver weg. En mijn moeder kan geen kleren meer brengen.
  • Op een avond, ik lig al op bed,  word ik wakker omdat ik nodig moet plassen en ook van het geluid van harde stemmen. Ik  ga mijn bed uit en loop de trap af naar beneden. Halverwege stop ik want onderaan de trap  staan soldaten met mijn moeder en opa te praten. Ze praten erg hard.  Een van hen krijgt mij in de gaten en zegt iets tegen mijn moeder. Ze kijken nu allemaal naar boven en ik weet niet of ik nou zal doorlopen, teruggaan  of stil blijven staan. Ik loop toch maar verder. Een paar treetjes lager. Ineens richt een van hen een pistool op me. Hij schreeuwt iets. En het volgende moment herinner ik me de veilige armen van opa. Hij houdt me vast en schreeuwt terug. Vuile schoft.. durf je wel tegen een klein kind !  Ze druipen af.  Niet alleen mijn vader is een held. Ook mijn opa !
  • Ik ga naar de Theresia (kleuter) school op de Kleine Houtweg in Haarlem. Naarmate ik langer op school zit zijn er steeds minder kinderen. Sommige klasgenootjes  komen ineens niet meer  en ik hoor van kinderen die bij hen in de buurt wonen dat Jantje of Marietje van school af is  want hij/zij heeft geen warme kleding, geen schoenen of is ziek.  De  kachel  op school is uit en het is erg koud. Er zijn geen kolen.
  • Soms gaat er een kind dood. Zelfs dat wordt gewoon. Dan komt de begrafenisstoet langs de school. Zo’n kar met het kistje  erop en daarover een zwart laken. De kar wordt getrokken door een paard met zo’n  zwart ding over zijn rug. Alle klasgenootjes van het overleden kind moeten naar buiten en we worden langs de stoeprand opgesteld. Hou de lantaarnpaal in de gaten zegt de non die onze klas leidt. Jullie moeten precies in lijn blijven met de lantaarnpaal. Geen uitsteeksels, handen of voeten. We zijn allemaal zo mager dat dát niet zo’n grote opgave is en met handen en voeten zwaaien bij een begrafenisstoet doe je sowieso niet.
  • Kinderen uit andere klassen  zijn ook dood.  Niet bij iedereen moeten we langs de stoeprand achter de lantaarnpaal. Alleen als het een klasgenoot betreft en soms komt er  helemaal  geen begrafenisstoet langs. Die ouders hebben geen geld voor die kar met dat paard. Andere kinderen zijn gewoon  “weg”. Joodse kinderen misschien. Ik weet het niet.
  • Op een dag huilt mijn moeder weer. Maar ze lacht ook. Opa huilt ook. Ik snap er niets van. De dokter is net geweest en die heeft iets leuks verteld. Dan zegt mijn moeder dat papa gauw weer thuiskomt. Hij is gevlucht uit het kamp waar hij was. Maar ik mag het tegen niemand zeggen.
  • Mijn vader is terug en ziet er aller-vreemdst uit. Hij is heel dun en draagt een bril en een hoedje. Maar hij is het wel. We lachen en huilen en ik mag nog steeds niemand vertellen dat hij thuis is.
  • Er breekt nu een periode aan dat mijn vader thuis is maar hij moet erg oppassen en ik ben bang. Iedere keer als hij de straat opgaat met die bril en dat hoedje ben ik bang dat de Duitsers hem toch zullen herkennen en hem weer meenemen.
  • Er wordt veel gepraat over vrede en bevrijding en dat de  Duitsers de oorlog misschien toch niet gaan winnen.
  • Het is 5 mei 1945 en ik ben net 5 jaar geworden.  We horen buiten mensen schreeuwen en juichen.  Opa loopt de huiskamer binnen en roept:   “We zijn bevrijd ! Er is vrede!! ”. Hij huilt. Iedereen huilt. Op straat wordt ook gehuild, gelachen, geschreeuwd en met vlaggen gezwaaid. Mensen omhelzen elkaar en roepen “Vrede… vrede.. ze zijn verjaagd”!
  • De oorlog is voorbij.  De enige vraag die bij ons blijft hangen: zijn de ooms en tantes ook in veiligheid ? En Reny en Treesje ? Waar zouden ze zijn ?  We hopen ze binnenkort weer terug te zien.

De gruwelijke waarheid kenden we toen nog niet.