dollytill

Verleden en heden


Een reactie plaatsen

Voorgesneden groente

Mijn tante Fientje was een vreemde eend in de familiebijt. Eigenlijk was ze een nicht van mijn vader en, zoals mijn moeder dat uitdrukte: een ouwe vrijster die als  een van de dochters van een kinderrijke familie was  “overgeschoten”. Gelukkig voor haar ouders, want die heeft ze tot hun dood thuis verzorgd en verpleegd.

Na de dood van haar ouders bleef tante Fientje alleen achter en wij kinderen kwamen er graag. Het was een fantastisch mens. Opgeruimd, hartelijk en er stond altijd wel iets lekkers klaar. Ze maakte macaroni als geen ander.

Ik heb het hier over de jaren 60. Macaroni  was sowieso al een exotisch product in die jaren, maar bij ons thuis was het op zaterdagen vaste prik. Mijn moeder kon goed koken maar de zaterdagen waren meestal de dagen dat er “gemakkelijk” werd gegeten. We waren met tien kinderen thuis dus het moest iets zijn wat lekker vulde en snel klaar was. Een flinke pan gekookte macaroni, zo’n vierkant blik lunchworst, een blik tomatenpuree. Alles door elkaar roeren. Bingo. Italiaans eten ! Soms aten we zaterdags bami. Zelfde recept. Alleen de tomatenpuree werd vervangen door  ketjap.

Bij tante Fientje smaakte het echter helemaal anders. De macaroni werd sowieso al niet tot prut gedegradeerd ze deed er ook een gefruit uitje door en érg lekker vlees.  Veel lekkerder dan thuis vonden we.  Tot de dag dat ze ons toevertrouwde dat ze bij de slager om een portie “hondenvlees” vroeg.

Maar ze had geen hond !

Ze gebruikte het voor de macaroni. Hondenvlees van de slager bestond uit restjes ham,  kontjes worst, losse stukjes en resten van vleeswaren.  Mijn familie sprak er schande van. Het werd een anekdote op verjaardagen en familiebijeenkomsten. Ha, ha, tante Fientje eet hondenvoer…!

Ik ben lange tijd Nederland uit geweest. Wie schetst mijn verbazing toen ik bij terugkeer ontdekte dat het hondenvoer van de slager inmiddels was opgewaardeerd tot macaroni-, nasi- of bamivlees. Ook de groenteman zag het gat in de markt. Verlepte kroppen e.d. werden ontdaan van lelijk blad en voorgesneden, waarna het vervolgens, nasi-, bami- of macaronipakket ging heten.. Eetbare afval en een winstmarge van 100% . Inmiddels wordt  voorgesneden groente  overal verkocht en  het is een doodnormaal artikel geworden. De grote supermarktketens hebben zelfs speciale bedrijven waar ze de groentes laten wassen, snijden en verpakken.

Voorgesneden groente is zeker 50% duurder maar  het levert tijdsbesparing op.Verse, thuis gesneden groente smaakt  lekkerder. Ik vraag me ook af hoe het zit met het vitaminebestand als gesneden groente dagenlang kwijnend in z’n plastic zakje ligt te wachten op een koper. Maar oké,  het is verdomd handig als je eens geen tijd hebt.

Advertenties


4 reacties

Oorlog 1940 – 1945. De Joodse onderduikers

Mijn ouders hadden een bakkerij en we hadden 4 Joodse mensen in huis,  2 echtparen, die op zolder, in een kamer achter de meelopslag waren ondergedoken. Beide echtparen hadden een dochtertje, ongeveer van mijn leeftijd:  Reny en Treesje.  Deze twee  kinderen waren op andere adressen ondergebracht.

Ik hoef geen moeite te doen bepaalde herinneringen naar boven te halen. Er zijn flarden die als stukjes film  door je hoofd schieten en nooit zijn vergeten:

  • ’s Avonds als de winkel dicht is en de gordijnen gesloten komen “ooms en tantes” naar beneden en zitten gezellig met mijn moeder rond de kachel. Ik zit bij iemand op schoot.. De tantes en mijn moeder zitten te naaien of te breien. Van oude kleding wordt nieuw gemaakt.
  • Op zulke avonden moet ik ook vaak helpen met  “wol ophouden”.  Oude truien worden uitgehaald en met de wol daarvan worden nieuwe truitjes en vestjes gebreid. Voor Reny en Treesje, de kinderen van de ooms en tantes, maar en ook voor mij.
  • De ooms en tantes wonen op zolder  maar we noemen het Den Haag.
  • Ik mag overdag naar de zolder bij de tantes en ooms spelen en ze lezen me voor. De boeken/spelletjesvoorraad is echter zeer  beperkt en ik kan de tekst van een van de boekjes woord voor woord opdreunen.
  • Mijn ouders laten me vrij om naar de zolder te gaan, maar er wordt me op het hart gedrukt dat ik nooit tegen iemand moest zeggen dat daar ooms en tantes wonen.
  • En als er iemand vraagt of er familie of kennissen  bij ons in huis wonen ? Nee, niet in huis.  Huis is beneden. Ze wonen in den Haag.  De zolder heet Den Haag voor mij.  Vrij simpel: je bent beneden (huiskamer), boven (slaapkamer)  of in Den Haag (zolder) maar geen mens die naar Den Haag vraagt.
  • Er is vaak een gevoel van spanning en onrust in huis. De grote mensen doen zenuwachtig en er wordt gepraat over bommen, Duitsers, honger en mensen die dood zijn gegaan.
  • Soms mag ik met iemand mee om Reny of Treesje te gaan opzoeken. Die wonen ergens anders en dan gaan we met de trein of met de tram.  Met wie ik daarheen ging weet ik niet.
  • De oma’s komen vaak langs, vooral oma T.    De winkel is achter de huiskamer. Als de winkelbel gaat moet mijn moeder een klant gaan helpen.  Ik blijf dan achter met de oma. Van oma T. krijg ik wel eens een Mariakaakje . Heeft ze  voor me gekocht. Of misschien geruild voor iets anders. Wie weet. Maar het is een absolute traktatie !
  • Zo zit ik een keer in de huiskamer met opa T. als het buiten ineens begint te loeien.  Luchtalarm !  Opa zegt dat we nu onder de tafel moeten gaan zitten. Als het dak dan naar beneden komt worden we beschermd door de tafel. Wel spannend, maar ook eng. Terwijl we onder de tafel wachten tot het luchtalarm is gestopt legt hij uit dat je ook op de WC redelijk veilig bent bij een bombardement.  Dat doen we de volgende keer dan maar belooft hij.
  • Mijn vader komt me  wekken en vertelt dat er een verrassing is.  Het is 30 december 1942 en ik heb een zusje gekregen. Mijn moeder ligt op bed en er staat een wieg met een baby erin.  Er is ook een mevrouw met een wit schort aan.  Ik moet zuster tegen haar zeggen. Als de zuster even naar de keuken is en ik door de slaapkamer van mijn ouders dwaal, zie ik een bruin flesje staan. Ha .. limonade. Ik zet het aan mijn mond en neem een paar slokjes maar het is vies.. paniek.. Blijkt het lysol te zijn…  Mijn moeder begint te gillen, vader komt uit de bakkerij stormen,  gooit me in de bakfiets en brengt me naar het ziekenhuis om mijn maag leeg te laten pompen.
  • Tussen de keuken en de bakkerij ligt een binnenplaatsje.  Midden op het plaatsje is een soort (af)wasplaats. Er is in ieder geval een kraan en een soort  wasbak. Natuurlijk ga ik kijken als ik daar rare geluiden vandaan hoor komen.   Er staat een man  bij de wasbak over te geven en hij zit onder het bloed.  Mijn vader geeft hem een handdoek aan. Mijn moeder zegt dat de meneer ziek is en trekt me weg.
  • Er wordt vaak gesproken over de bestelling van het weeshuis. Die moet ’s avonds worden bezorgd bij het kinderhuis aan de Kinderhuissingel in Haarlem.  Er is me al veel verteld over al die kindertjes die daar zitten en die geen papa en mama meer hebben. Ik mag dus een keer mee. Spannend..! Het is al donker als we weggaan en ik ga mee in de bakfiets. De broodbakfiets bestaat uit 2 compartimenten. In de ene zit ik en in de andere ligt het brood voor het weeshuis. Deksel dicht en ik zit opgesloten. Ik heb wel meer in de bakfiets gezeten dus dat vind ik niet eng.   Als het deksel weer opengaat zijn we op de binnenplaats van het weeshuis.  Ik loop met iemand mee die me de speelzaal gaat laten zien.  Er zitten hier heel veel kinderen en wat is het koud hier.
  • Er is een jongetje en die zit helemaal alleen op de grond.  Midden in die enorme grijze, grauwe, koude ruimte…. Ik kan mijn ogen niet van hem af houden. Hij lijkt zo zielig en ik durf niets te zeggen. Alles is daar grijs en grauw. De begeleidster staat fluisterend iets tegen mijn vader te vertellen. Ik wil naar huis. Brullend word ik afgevoerd.
  • Op de terugweg horen ik ineens iemand “HALT “ roepen.  Mannenstemmen. Mijn vader die lachend iets terugzegt.  Nog wat gepraat en geschreeuw… en dan gaat het deksel van de bakfiets ineens open en zie ik drie kerels op me neerkijken. Soldaten.. Duitsers.. ja nu ben ik bang. Ik ben nog steeds verdrietig over dat weeshuis. Mijn vader tilt me uit de bakfiets en de mannen beginnen te lachen. Ik mag er weer in. We gaan naar huis. Thuis vertelt mijn vader ons dat hij gezegd heeft dat hij vlees vervoerde. En wat een geluk dat het brood al afgeleverd was.  Toen zagen ze mij eruit komen… Vonden ze komisch.. Ik snap er geen bal van maar ik vond mijn vader een held.
  • Midden op de dag is er ineens een hoop herrie, geschreeuw en geknal op de hoek van de straat. Ik loop de winkel in om te gaan kijken want door het glas van de winkeldeur kun je precies op de hoek van de straat kijken. Er wordt geroepen dat er iemand is doodgeschoten. Ook zijn er soldaten maar die lopen al weg, Er ligt een bloedende man op de grond. Mijn opa komt de bakkerij uit rennen en trekt me bij de deur weg.
  • Mijn vader of moeder komen me altijd uit bed halen. Maar vandaag is er niemand. Dus ik klim eruit en ga naar beneden, naar de slaapkamer van mijn ouders.  Het is buiten al licht maar in huis is het stil en de gordijnen zijn nog dicht.  Als ik de slaapkamer binnenkom zie ik mijn moeder op bed liggen. Ze huilt. Ze vertelt dat de Duitse soldaten de ooms en tantes die nacht hebben meegenomen. En papa ook.   Ik huil ook en ben bang. Ineens ben ik bang voor alles. De sirenes, de dreiging, de soldaten, het luchtalarm, de bommen en de vaak overvliegende vliegtuigen.  Tot nu toe had ik het allemaal wel eng gevonden maar voelde me beschermd. Nu word ik geconfronteerd met de werkelijkheid die tot vandaag zorgvuldig voor me werd afgeschermd.
  • De ooms en tantes zijn al een paar weken weg en mijn vader ook.
  • Mijn moeder huilt vaak. Er wordt nu openlijk in mijn bijzijn gesproken over de zoektocht die zij en andere mensen ondernemen om te weten te komen waar mijn vader is heengebracht. Mijn moeder vertelt opa iets over Amersfoort waar ze kleding voor mijn vader gaat brengen. Ik ben blij dat mijn moeder mijn vader kan opzoeken en hoop dat ze hem mee naar huis brengt.  Op mijn vraag wanneer de ooms en tantes terugkomen is geen antwoord.  Niemand weet het.
  • Later wordt mijn vader overgeplaatst. Ergens ver weg. En mijn moeder kan geen kleren meer brengen.
  • Op een avond, ik lig al op bed,  word ik wakker omdat ik nodig moet plassen en ook van het geluid van harde stemmen. Ik  ga mijn bed uit en loop de trap af naar beneden. Halverwege stop ik want onderaan de trap  staan soldaten met mijn moeder en opa te praten. Ze praten erg hard.  Een van hen krijgt mij in de gaten en zegt iets tegen mijn moeder. Ze kijken nu allemaal naar boven en ik weet niet of ik nou zal doorlopen, teruggaan  of stil blijven staan. Ik loop toch maar verder. Een paar treetjes lager. Ineens richt een van hen een pistool op me. Hij schreeuwt iets. En het volgende moment herinner ik me de veilige armen van opa. Hij houdt me vast en schreeuwt terug. Vuile schoft.. durf je wel tegen een klein kind !  Ze druipen af.  Niet alleen mijn vader is een held. Ook mijn opa !
  • Ik ga naar de Theresia (kleuter) school op de Kleine Houtweg in Haarlem. Naarmate ik langer op school zit zijn er steeds minder kinderen. Sommige klasgenootjes  komen ineens niet meer  en ik hoor van kinderen die bij hen in de buurt wonen dat Jantje of Marietje van school af is  want hij/zij heeft geen warme kleding, geen schoenen of is ziek.  De  kachel  op school is uit en het is erg koud. Er zijn geen kolen.
  • Soms gaat er een kind dood. Zelfs dat wordt gewoon. Dan komt de begrafenisstoet langs de school. Zo’n kar met het kistje  erop en daarover een zwart laken. De kar wordt getrokken door een paard met zo’n  zwart ding over zijn rug. Alle klasgenootjes van het overleden kind moeten naar buiten en we worden langs de stoeprand opgesteld. Hou de lantaarnpaal in de gaten zegt de non die onze klas leidt. Jullie moeten precies in lijn blijven met de lantaarnpaal. Geen uitsteeksels, handen of voeten. We zijn allemaal zo mager dat dát niet zo’n grote opgave is en met handen en voeten zwaaien bij een begrafenisstoet doe je sowieso niet.
  • Kinderen uit andere klassen  zijn ook dood.  Niet bij iedereen moeten we langs de stoeprand achter de lantaarnpaal. Alleen als het een klasgenoot betreft en soms komt er  helemaal  geen begrafenisstoet langs. Die ouders hebben geen geld voor die kar met dat paard. Andere kinderen zijn gewoon  “weg”. Joodse kinderen misschien. Ik weet het niet.
  • Op een dag huilt mijn moeder weer. Maar ze lacht ook. Opa huilt ook. Ik snap er niets van. De dokter is net geweest en die heeft iets leuks verteld. Dan zegt mijn moeder dat papa gauw weer thuiskomt. Hij is gevlucht uit het kamp waar hij was. Maar ik mag het tegen niemand zeggen.
  • Mijn vader is terug en ziet er aller-vreemdst uit. Hij is heel dun en draagt een bril en een hoedje. Maar hij is het wel. We lachen en huilen en ik mag nog steeds niemand vertellen dat hij thuis is.
  • Er breekt nu een periode aan dat mijn vader thuis is maar hij moet erg oppassen en ik ben bang. Iedere keer als hij de straat opgaat met die bril en dat hoedje ben ik bang dat de Duitsers hem toch zullen herkennen en hem weer meenemen.
  • Er wordt veel gepraat over vrede en bevrijding en dat de  Duitsers de oorlog misschien toch niet gaan winnen.
  • Het is 5 mei 1945 en ik ben net 5 jaar geworden.  We horen buiten mensen schreeuwen en juichen.  Opa loopt de huiskamer binnen en roept:   “We zijn bevrijd ! Er is vrede!! ”. Hij huilt. Iedereen huilt. Op straat wordt ook gehuild, gelachen, geschreeuwd en met vlaggen gezwaaid. Mensen omhelzen elkaar en roepen “Vrede… vrede.. ze zijn verjaagd”!
  • De oorlog is voorbij.  De enige vraag die bij ons blijft hangen: zijn de ooms en tantes ook in veiligheid ? En Reny en Treesje ? Waar zouden ze zijn ?  We hopen ze binnenkort weer terug te zien.

De gruwelijke waarheid kenden we toen nog niet.


1 reactie

Hobbybeurs Hardenberg

Als enthousiast scrapbook-hobbyist wil ik nog wel eens een Crea-beurs bezoeken, zeker als zo’n evenement plaatsvindt op een koude en sombere winterdag.

Dus op naar de evenementenhallen in Hardenberg.

Mijn plan om vroeg te gaan en op tijd terug te keren komt al op losse schroeven te staan als ik zie hoe vol de parkeerplaats al is. Het is net 11 uur ’s ochtends.  En ik maar denken dat je beter op een vrijdag kunt gaan want zaterdags komt natuurlijk iedereen. En zondag ook.

Voor de ingang staat zelfs een rij. Allemaal 50 plus zo te zien.

Ik koop een kaartje. “Dat is dan 6 euro alstublieft” zegt de dame aan de balie.  Ik geef aan dat ik 65 plus ben.  “Legitimatie!”  blaft de dame. Nou ja, vriendelijkheid is maar alles. Ik laat mijn rijbewijs zien en nu mag ik voor 3 euro naar  binnen.

De beurshallen in Hardenberg zijn op z’n zachtst gezegd deprimerend. Ik kom hier nu voor de derde keer. De verlichting is minimaal. De stands hebben hun eigen verlichting, maar dat is lang niet voldoende en bij sommigen mag je een zaklantaarn lenen. Ik wil wel graag met de goede kleur van mijn aankoop thuiskomen.  “Neem het maar even mee naar de overkant in de hoek links, daar kunt u het beter zien” zegt een van de standhouders. Niet te geloven. Waarom doen ze hier niets aan het licht ? Iedereen klaagt erover.

Tussendoor even naar het restaurant voor een kop koffie. Nog erger. Ik dwaal door de krochten van de evenementenhal op zoek naar het restaurant. Door de drukte raak ik even uit de koers, maar uiteindelijk ja hoor: het restaurant. Nog steeds hetzelfde en nog  donkerder dan in de beurshallen zelf.  De enige goed verlichte plek is het buffet waar een lange rij staat voor  patat. Verder staan er schalen met zieltogende belegde broodjes en je kunt een kop slappe koffie tanken uit een automaat.  Het gebak ziet er beter uit, dus ik neem een appelgebakje bij de koffie.  6  Euro alstublieft.

Op de tast naar een plekje aan een tafel. Er ligt een oubollig kleedje op en in het midden staat een kerststukje ! Kérststukje ??  Het is eind februari ! Tja en toch..het lijkt het er sprekend op. Rode kaars omgeven door groene plastic blaadjes.  Verder zijn de muren donker geschilderd, aan het plafond hangen kroonluchters die nauwelijks licht geven en langs de wand zijn rode draperieën aangebracht. Niet te geloven anno 2011.

Enfin, inkopen gedaan, twee tassen vol en ik ga op weg naar de uitgang. Ho, wacht even…. mijn oog valt op iets wat ik nog moet kopen voor iemand.

En nu naar huis.

Thuisgekomen merk ik dat ik een plastic tas met spullen mis. Verdorie. Ik besluit naar Hardenberg te bellen. Misschien is er een afdeling voor Gevonden Voorwerpen ?   Vergeet het maar. Antwoordapparaat. We zijn vanaf maandagmorgen weer bereikbaar. Balen.. wat nu.

De volgende ochtend besluit ik terug te gaan naar Hardenberg en bij de balie te vragen of er iets is afgegeven. Ik heb de tas bij de laatste stand – dicht bij de uitgang – laten staan. Dat weet ik zeker.

Ik naar de balie en leg het probleem uit, waarna het volgende gesprek plaatsvindt:

Dame aan balie:  “Tja, als u uw tas heeft laten staan dan is hij nu weg hè.”

Ik: “Ik wil graag weten of hij misschien is afgegeven.”

Baliedame: “Nee .”

Ik:  “Mag ik dan even naar binnen om te vragen of ze hem gevonden hebben? Ik weet waar ik hem heb laten staan.

Baliedame: “ Jazeker, dat is dan  6 euro.”

Ik: “Ik heb hier het entreebewijs van gisteren nog. Kijkt u maar. Ik wil alleen maar even vragen bij de stand en ben zo weer terug.”

Baliedame( ongeduldig): “de kaartjes van gisteren waren groen en vandaag hebben we witte. De entree kost 6 euro.”

Ik: “ja maar.. nou ..dan moet het maar. Geef maar een kaartje van vandaag dan. Met 65 plus korting.

Baliedame: “legitimatie!”

Ook de standhouder blijkt geen tas te hebben gevonden. Jammer,  die ben ik kwijt.

Het wordt tijd dat het voorjaar begint. De lange, grijze winter begint duidelijk effect te krijgen op de mensen en iedereen wordt alleen maar chagrijniger.

Echter, eerlijkheidshalve moet ik aan het bovenstaande toevoegen dat ik op maandagochtend belde en uiterst vriendelijk te woord werd gestaan. Misschien zijn de Crea-beurs dames weekendkrachten.

En ja, de zon schijnt inmiddels ook.  Dat scheelt.